Meetfouten en foutenanalyses

Daar waar onderzoek wordt gedaan, worden experimenten uitgevoerd en daar waar experimenten worden uitgevoerd worden meetfouten gemaakt. Deze meetfouten beïnvloeden de meetresultaten en dus ook het eindresultaat. Meetfouten dienen dus in rekening en/of in kaart gebracht te worden.

Het doen van metingen heeft dus onmiddellijk tot gevolg dat meetfouten de kop op gaan steken. Bij het uitvoeren van een practicum of onderzoek en bij de verwerking hiervan in een meetrapport of een verslag dien je hier terdege rekening mee te houden. In je natuurkundeboek van de staat het één en ander toegelicht over meetfouten en nauwkeurigheid.
Als je een meting doet, geef je bij het vermelden van de meetwaarde meteen aan hoe goed de nauwkeurigheid geweest is. Bij meting van bijvoorbeeld een lengte l = 25 cm betekent deze notatie l = 25
± 0,5 cm. De meetwaarde ligt dus ergens tussen 24,5 cm en 25,5 cm. Mocht de meting nauwkeuriger zijn, dien je meer significante cijfers mee te nemen, bijvoorbeeld l = 25,0 cm. Dit betekent dat de meetwaarde ligt tussen 24,95 cm en 25,05 cm, m.a.w.
l
= 25,0
± 0,05 cm. De meetwaarde is in beide voorbeelden gelijk, alleen de nauwkeurigheid is in het tweede voorbeeld groter.
Standaard zijn de foutenmarges zoals weergegeven in bovenstaande voorbeelden, maar metingen kunnen natuurlijk nauwkeuriger of minder nauwkeurig zijn. Zo kan de foutenmarge bij het tweede voorbeeld ook bijvoorbeeld 0,02 cm zijn. De meting wordt dan dus
l = 25,0
± 0,02 cm, wat een nog nauwkeurigere meting betekent.
Let steeds goed op de meetonnauwkeurigheden om bij de uitkomst aan te kunnen geven hoe nauwkeurig deze uiteindelijk is. Hierbij gaan de regels voor significante cijfers op, waarbij de minst nauwkeurige meting uiteindelijk de nauwkeurigheid van de uitkomst bepaald.
Bij het analyseren van meetfouten kan daarnaast gebruik worden gemaakt van foutenlijsten. Hierbij wordt nagegaan welke stappen in het meetproces onnauwkeurigheid hebben opgeleverd en wordt geschat hoe groot deze onzekerheid is.


Terug